Het Pannekoeckershuys. Adres: Ruiterspoor 71 4911 BA Den Hout
Het Pannekoeckershuys.

Pannekoeckershuys Koeckers is een avontuurlijk restaurant in de directe omgeving van het kerkdorp Den Hout en direct grenzend aan het Markkanaal. Deze Baroniepoort is de pleisterplaats voor fietsers, mountainbikers, wandelaars en gezinnen met kinderen (of opa’s en oma’s). Het ligt vlakbij het bosgebied Vrachelse heide. Er zijn ruime parkeervoorzieningen en een avontuurlijke speeltuin.

Luistert u naar de legende van de Legendejagers:  Het mirakel van Oelbert

“Oelberts grote armen pakten het hoofd voorzichtig op. Terwijl hij het onder zijn arm hield spoorde hij zijn ossen aan. Deze hervatten gewillig hun werkzaamheden. Verbouwereerd staarden de schout en zijn mannen naar het bizarre tafereel”.

Het Pannekoeckershuys. Speeltuin
Het Pannekoeckershuys.
Speeltuin

Of lees de legende hieronder

Contactgegevens
Pannekoeckershuys Koeckers
Ruiterspoor 71
4911 BA Den Hout
0162-455036

denhout@koeckers.nl
www.koeckers.nl

Het Pannekoeckershuys.
Het Pannekoeckershuys.

“Het Mirakel van Oelbert”

Lang geleden, nog voordat er een kanaal tussen de Mark en Oosterhout lag, was de Vrachelse Heide een uitgestrekt gebied. Heidevelden, gemengd bos en mysterieuze zandverstuivingen die als geesten door het natuurgebied leken te dwalen.
Jazeker, de zandverstuivingen, daar was iets mee. Vooral wanneer de maan vol en helder aan de hemel stond, leek het gebied alle katten uit de omgeving aan te trekken. Op de zandduinen aangekomen, namen deze katten echter hun ware gedaante aan. In werkelijkheid waren zij heksen en bij volle maan dansten zij hun woeste dansen, vergezeld van een ijzingwekkend gekrijs. Op dergelijke momenten was het niet verstandig om je in de buurt te wagen.
Dat wist ook Oelbert, een boer die nagenoeg op de bosrand woonde. Bij elke volle maan sloot hij zijn luiken maar lag vervolgens de nacht wakker van het ijselijke gekrijs in het bos.
Zo kwam het dat hij op een mooie dag achter zijn ossen liep. Zij ploegden lange voren door zijn akkertje. Maar Oelbert kon zich amper wakker houden. Knikkebollend en zuchtend maande hij zijn ossen tot stilstand. Het was tijd voor een pauze. Oelbert liet zich op de grond zakken en sliep vrijwel gelijk in.
Wie kon vermoeden dat zijn leven zo drastisch zou veranderen. Want nauwelijks was hij in dromenland of uit de bosjes verderop verschenen drie haveloze mannen. Woeste tronies hadden zij en één van hen droeg een lang en bebloed mes. In die tijd waren hielden de Baanstropers rond Oosterhout huis. Zij waren gruwelijke rovers en deinsden er niet voor terug om zij die hen de weg belemmerden de keel door te snijden. Deze keer echter was de overval iets anders gegaan dan zij hadden ingeschat. Er had bloed gevloeid, maar de schout was in aantocht. De Baanstropers maakten zich uit de voeten, de bossen in, achterna gezeten door het plaatselijk gezag. De bandieten hadden al snel door dat zij geen kans maakten. Dit was het moment dat zij uit de bosjes tevoorschijn sprongen en verderop Oelbert vredig zagen slapen.
De Baanstropers bedachten zich geen moment. Snel legde een van hen zijn mes naast Oelbert en het stel verdween haastig. Daar verscheen de schout en zijn helpers, overtuigd van het feit dat hij de Baanstropers eindelijk te pakken had.
Daar lag er één op die akker, vast buiten westen geslagen door zijn maats na een meningsverschil. Dat gebeurde vaak bij die rovers. Slim waren ze, maar ook heetgebakerd.
De schout wist hoeveel onrecht de Baanstropers op hun geweten hadden en was vastbesloten om dit karwei snel af te werken. Hoe duidelijk kon het bewijs zijn? Bovendien had hij zijn getuigen. Zonder te twijfelen trok hij zijn zwaard en sloeg de arme Oelbert het hoofd af.
Maar meteen deinsden zij achteruit. Dit… dit was hekserij. Het hoofd knipperde even met zijn ogen en het lijf kwam in beweging. Oelberts sterke armen pakten het hoofd voorzichtig op. Terwijl hij het onder zijn arm hield spoorde hij zijn ossen aan. Deze hervatten gewillig hun werkzaamheden. Verbouwereerd staarden de schout en zijn mannen naar het bizarre tafereel. Vriendelijk groette de onthoofde Oelbert de schout en zijn helpers.
“Daar zou ik bijna een gat in de dag hebben geslapen, heer schout”, sprak het hoofd en Oelbert ploegde nog even zijn akkertje af. Daarna liet hij de verbaasde schout achter en liep naar een kapel verderop. Korte tijd later arriveerden daar de ossen met een kar vol keien. Van deze keien werd een kapel gebouwd. Lang leefde Oelbert niet, want dat is toch een ingewikkelde zaak, zonder hoofd. Maar natuurlijk werd de bescheiden boer Oelbert vanaf die dag een heilige.